“Het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet, het geldt voor u als onrein. Het vlees van deze dieren mogen jullie niet eten en hun kadavers niet aanraken; zij gelden voor jullie als onrein.” De Bijbel noemt het varken een onrein dier, omdat het zijn eten niet herkauwt.
In Leviticus 11 staan de wetten inzake reine en onreine dieren. Specifiek in Leviticus 11:7-8 lezen we de bepaling over varkensvlees. Er staat het volgende: ''(…) het varken, want dat heeft wel gespleten hoeven; de hoef is in tweeën gespleten, maar het herkauwt het gekauwde eten niet; dat is voor u onrein.
Jezus verklaart dus alle voedsel rein, ongeacht de traditionele wassing. Wanneer de NLT zegt dat elk voedsel aanvaardbaar is in Gods ogen, klopt dat absoluut. Varkensvlees werd in deze context nooit als voedsel beschouwd, noch door Jezus, noch door de farizeeën.
En het varken, hoewel het een volledig gespleten hoef heeft, herkauwt niet; het is voor u onrein . U mag hun vlees niet eten en hun kadavers niet aanraken; ze zijn voor u onrein. Van alle dieren die in het water van de zeeën en de rivieren leven, mag u alles eten wat vinnen en schubben heeft.
Als Noach uit de ark komt zegt God tegen hem dat hij alles mag eten, behalve vlees waar nog bloed in zit. In Leviticus geeft God nog meer specificaties in welke dieren er rein of onrein zijn, welke je wel of niet mag eten. Joden hielden zich hier strikt aan.
Dit omvat met name de rundvee-, schapen-, geiten-, herten- en gazellenfamilies (Deuteronomium 14:4-5). Ook dieren zoals kamelen, konijnen en varkens noemt hij onrein, of ongeschikt om te eten (Leviticus 11:4-8).
Het christendom legt zijn gelovigen enkele 'musts' op, zoals: vasten voor Pasen, eten delen met anderen en op vrijdag geen vlees eten. Daarom is vrijdag ook voor velen 'visdag'. Wat christenen volgens hun geloof absoluut moeten vermijden, is zoetigheden en grote maaltijden tijdens de vastenperiode.
De kwade geesten zeiden tegen Jezus: 'Als je ons wegjaagt, mogen we dan alsjeblieft in die varkens gaan? ' Jezus zei tegen hen: 'Ga weg! ' De kwade geesten gingen weg uit de twee mannen en gingen in de varkens. Toen renden de varkens van de steile berg af, en vielen in het meer.
Pas in Leviticus 11:7 wordt het eten van varkensvlees voor het eerst verboden voor Gods volk: "... en het zwijn, hoewel het gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt, is voor u onrein ." Dit is waar en wanneer varkensvlees in al zijn vormen (inclusief ham, spek, worst, enz.)
[8]En het varken, omdat het wel gespleten hoeven heeft, maar niet herkauwt, is voor u onrein. Van hun vlees mag u niet eten en hun dode kadaver mag u niet aanraken.
Ook zei God: 'Hierbij geef Ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. ' Alles wat leeft en beweegt zal jullie tot voedsel dienen; dit alles geef Ik je, zoals Ik je ook de planten heb gegeven. Maar vlees waarin nog leven is, waar nog bloed in zit, mag je niet eten.
Jezus koos ervoor om alle schuld op zich te nemen. Hij had ons zo lief en wilde zó graag de kloof tussen jou en God herstellen, dat Hij aan het kruis stierf voor jou en mij. En zo kunnen wij vergeving ontvangen en weer een relatie met Hem hebben.
In de belijdenisgeschriften zien we twee betekenissen van 'vlees' terug: (1) vlees als aanduiding voor het lichamelijk bestaan van de mens en (2) vlees als de omschrijving voor het slechte in de mens tegenover dat wat door Gods Geest gewerkt is.
"Als je zelf geen gewetensbezwaren tegen het eten van halalvlees hebt, kun je halalvlees gewoon eten. Maar als je dat in een kring van medechristenen doet en sommige mensen hebben daar wél moeite mee, of het zou een groot probleem voor hen kunnen worden, dan ga je naar een andere slager."
Maar dieren die alleen herkauwen of alleen gespleten hoeven hebben, mag u niet eten. Kamelen, hazen en klipdassen zijn herkauwers, maar hebben geen gespleten hoeven; daarom gelden ze voor u als onrein. En zwijnen hebben wel gespleten hoeven, maar herkauwen niet; daarom moet u ook die als onrein beschouwen.
Het verbod op varkensvlees heeft te maken met de kenmerken van het dier zelf. Vanuit de Maliki wetschool wordt het varken beschouwd als een onrein dier omdat het de eigen uitwerpselen eet en niet herkauwt. De andere drie wetscholen stellen echter dat enkel het vlees onrein is en niet het dier.
Nee, Joden, Christenen en Moslims mogen geen varkensvlees eten omdat het verboden is... De Heer sprak tot Mozes: Maar van de herkauwers of de dieren met gespleten hoeven mag u de volgende niet eten:....
het varken, want het heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet: het geldt als onrein. Het vlees van deze dieren mag u niet eten en hun kadavers niet aanraken: zij gelden als onrein' (Lev.
Moslims mogen geen varkensvlees eten, omdat varkens onrein zijn. Daarnaast hebben Moslims regels over hoe dieren geslacht moeten worden. Dit heet halal.
En uiteraard, Jezus was geen vegetariër. Na zijn opstanding – als hij de dood heeft overwonnen – at hij zelfs verrassend genoeg nog een gebraden visje.
Naast Jezus, Maria en Jozef zijn nog andere figuren aanwezig. Dieren, vaak een os en een ezel, herders die vaak een paar schapen bij zich hebben (Lukas 2:16) en de wijzen uit het oosten (Mattheus 3:11), volgens de traditie drie in getal, die soms met kamelen zijn gekomen.
Tijdens het Laatste Avondmaal brak Jezus het brood, deelde het uit en zei: 'Dit is mijn lichaam'. Als basisvoedsel is brood een beeld voor leven. Brood en leven liggen zo dicht bij elkaar dat mensen die iets nodig hebben om in leven te blijven zeggen: 'Ik heb dat broodnodig.
De enige dieetbeperkingen die in het Nieuwe Testament voor christenen gelden, zijn: " onthouding van voedsel dat aan afgoden is geofferd, van bloed en van vlees van gewurgde dieren " (Handelingen 15:29). Deze leer werd door de vroege kerkvaders, zoals Clemens van Alexandrië en Origenes, gepredikt zodat gelovigen deze konden naleven.
Zijn vrienden hadden ervoor gezorgd dat Hij de met gal vermengde wijn, die een pijnstillend en verdovend effect had, kon drinken. Maar toen Jezus proefde dat Hem deze wijn werd voorgehouden om te drinken, weigerde Hij. Niet omdat Hij geen dorst had, maar omdat Hij geen verdoving wilde.
Om specifiek te zijn: Jezus dronk water en wijn, at alleen volkorenbrood, onthield zich van varkensvlees en schaaldieren en at grote hoeveelheden gezond voedsel zoals olijfolie, druiven, vijgen, granaatappels, diverse soorten groenten en vis. Dit is "de manier van eten die Jezus aanhing" [p. xv].