Ongeslachtelijke voortplanting of aseksuele reproductie is voortplanting waarbij slechts één ouder betrokken is. De nakomelingen die ontstaan uit ongeslachtelijke voortplanting zijn genetisch identiek aan het moederorganisme, en worden om deze reden (natuurlijke) klonen genoemd.
Bij ongeslachtelijke voortplanting groeit een deel van een organisme uit tot een nieuw organisme. Ongeslachtelijke voortplanting vindt plaats door middel van mitose (gewone celdelingen). Na ongeslachtelijke voortplanting hebben alle nakomelingen dus hetzelfde genotype als de ouderplant.
Mensen planten zich niet op natuurlijke wijze ongeslachtelijk voort .
Ongeslachtelijke voortplanting houdt in dat één enkel organisme nakomelingen krijgt die genetisch identiek zijn aan de ouder. Dit komt vaak voor bij veel planten, schimmels en sommige diersoorten, maar niet bij mensen.
wortelstokken, stengel vertakking ondergronds die uitgroeien tot een nieuwe plant. stekken, het afsnijden van een stengel of blad, waarbij zich op het snijvlak wortels ontwikkelen. weefselkweek, deelweefsel (groeipunt) wordt op een voedingsbodem geplaatst en groeit hier uit tot een nieuw plantje.
Bij ongeslachtelijke voortplanting ontstaan nakomelingen uit één ouder. De nakomelingen zijn genetisch identiek aan de ouder. Eencelligen, zoals bacteriën, kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten door celdeling.
De Indische wandelende tak, sommige kevers, beerdiertjes en vele bladluizen, maar ook sommige hagedissen, salamanders en slangen zijn voorbeelden van soorten met maagdelijke voortplanting. Ook bij de komodovaraan schijnt sprake te zijn van parthenogenese en bij de haai is dit waargenomen.
Een groot probleem bij ongeslachtelijke voortplanting is het opstapelen van mutaties in het individu en in de populatie. Mutaties in genen bij de moeder kunnen bij het nageslacht niet gecompenseerd worden door niet gemuteerde genen van pa.
Van zo'n tachtig gewervelde diersoorten (op een totaal van ongeveer 70 duizend beschreven soorten) is bekend dat ze zich in bepaalde gevallen zonder partner kunnen voortplanten. Het gaat daarbij vooral om reptielen (slangensoorten en hagedissen) en om bepaalde kraakbeenvissen (haaien, zaagvissen en roggen).
Ze kopiëren zichzelf door bijvoorbeeld boven de grond uitlopers te vormen, of onder de grond wortelstokken te maken. Aan deze uitlopers of wortelstokken groeien knoppen, die uitgroeien tot nieuwe planten. Deze manier van nakomelingen krijgen heet ongeslachtelijke voortplanting.
Ongeslachtelijke voortplanting is voortplanting waarbij slechts één ouder betrokken is. Ieder nieuw organisme ontstaat hierbij dit uit maar één ouder. Vele planten hebben bijvoorbeeld maar één ouder. Uit zo'n plant (een aardappel bijvoorbeeld) groeit langzaam een nieuwe plant.
Geslachtelijke voortplanting bij planten vindt plaats door stuifmeelkorrels. Bij ongeslachtelijke voortplanting, wat voorkomt bij planten, ontstaat uit één cel (of deel van een plant) een nieuwe plant. Hierbij zijn geen geslachtscellen betrokken.
Stekken is ook een manier van ongeslachtelijke voortplanting. Bij stekken snijdt je een stukje van een plant af. Dit stukje zet je vervolgens in een bakje water en laat je worteltjes zetten. Als het plantje eenmaal worteltjes heeft, kun je hem in de aarde zetten en heb je een nieuw plantje.
De goudhamster heeft van de zoogdieren de kortste draagtijd, namelijk 16-18 dagen. Van de grotere dieren hebben alleen de buideldieren een nog kortere draagtijd, maar daar blijft het jonge diertje nog lang in de buidel van de moeder totdat het volgroeid is.
Parthenogenese = Parthenogenese betekend maagdelijke voortplanting een vorm van ongeslachtelijke voortplanting.
Bij natuurlijke ongeslachtelijke voortplanting ontstaat er uit een moederplant een nieuwe plant zonder dat er bevruchting heeft plaatsgevonden. Een cel, of een aantal cellen, van de moederplant groeit dan uit door vele celdelingen tot een nieuwe plant.
Planten hebben voeding nodig om te groeien en te bloeien. Net zoals wij mensen eten en drinken nodig hebben om gezond te blijven, hebben planten water, licht en voedingsstoffen nodig.
Maagdelijke voortplanting, of parthenogenese, komt voor bij verschillende soorten in het dierenrijk. Het verschijnsel is bekend bij sommige insecten (kevers en bladluizen), reptielen (hagedissen en slangen) en vissen (onder andere haaien). De nakomelingen van de maagdelijke voortplanting zijn bijna altijd wijfjes.
En dat is de kwal Turritopsis dohrnii. De kwal kan nadat deze geslachtsrijp is, weer teruggaan naar het eerste stadium van zijn ontwikkeling. Het levert 'm een interessante bijnaam op: de onsterfelijke kwal. Omdat het dier de cyclus keer op keer opnieuw kan beleven, kan deze in theorie namelijk eeuwig in leven blijven.
Zeepaardjes zijn de enige diersoort waarbij het mannetje verantwoordelijk is voor de zwangerschap.
Welke huisdieren zijn nu verboden? De lijst bevat een paar opvallende namen. Dieren zoals het gordeldier, de serval, de capibara en het stokstaartje mogen nu niet meer als huisdier gehouden worden. Ook de populaire Russische dwerghamster, chinchilla, servalkat en suikereekhoorn vallen onder het nieuwe verbod.
Parthenogenese komt verspreid voor door het hele dierenrijk, het vaakst bij geleedpotigen (watervlooien, bladluizen, wandelende takken, sommige mieren, bijen en sluipwespen) en raderdiertjes, maar ook bij vissen, amfibieën en reptielen.
Ongeslachtelijke voortplanting of aseksuele reproductie is voortplanting waarbij slechts één ouder betrokken is. De nakomelingen die ontstaan uit ongeslachtelijke voortplanting zijn genetisch identiek aan het moederorganisme, en worden om deze reden (natuurlijke) klonen genoemd.
De belangrijkste reden dat het niet kan, is omdat verschillende diersoorten over verschillende chromosomen beschikken in hun voortplantingscellen (zaadcel en eicel). Bvb. de mens heeft 46 chromosomen en de hond heeft er 78. In hun voortplantingscellen hebben ze dan respectievelijk 23 en 39 chromosomen.